Toetsen, rapporten, bevorderingsnormen (onderbouw)

De hieronder beschreven regelingen zijn alleen van toepassing op leerlingen in klas 1 t/m 3. De regelingen voor de leerlingen klas 4 t/m 6 zijn vermeld in het programma voor toetsing en afsluiting (PTA) dat in september op de website wordt gepubliceerd.

Soorten toetsen
Er kunnen verschillende soorten werk voor een cijfer worden gemaakt:

  • schriftelijke overhoringen (SO):
    Het opgegeven huiswerk wordt schriftelijk voor een cijfer overhoord. SO’s hoeven niet van te voren te worden opgegeven en tellen één keer mee voor het rapportcijfer.
  • uitgebreide schriftelijke overhoringen (USO):
    een groter deel van de leerstof wordt schriftelijk overhoord. USO’s worden tenminste drie schooldagen van tevoren aan de klas opgegeven. USO’s tellen twee keer mee voor het rapportcijfer.
  • toetsen:
    een toets telt drie keer mee. Toetsen worden alleen in de toetsweken gegeven.
  • andere typen werk:
    Diagnostische toetsen, mondelinge overhoringen, proefvertalingen, referaten, luistertoetsen, practicumverslagen, projecten e.d. worden in overleg met de klas opgegeven. Er wordt duidelijk afgesproken of het werk meetelt voor een cijfer en zo ja wat de wegingsfactor is. Daarnaast worden er indien van toepassing goede afspraken gemaakt over de datum waarop het werk dient te worden ingeleverd (de deadline).

Gemiste toetsen/Inhaalwerk
Een leerling spant zich in om opgegeven werk in te leveren of te maken op het met de docent afgesproken tijdstip. Leerlingen wordt verzocht afspraken met artsen e.d. die plaatsvinden tijdens toetsen of USO’s te verzetten. Als dit echt onmogelijk is, wordt uiterlijk de dag voordat de toets of USO zou worden gemaakt, overlegd met de vakdocent over het tijdstip van inhalen. Dit inhalen gebeurt in principe op de dag van de toets of USO.
Een leerling die alleen de dag voor een toets of USO ziek is geweest, heeft niet automatisch een excuus de toets niet te maken of werk niet in te leveren.
Een leerling maakt zelf, na afwezigheid, afspraken met de docent over het in te halen werk, dit gebeurt aan het einde van de eerste les na terugkeer op school.
Leerlingen die langere tijd ziek zijn geweest, overleggen met hun mentor en hun docenten welke werken wel en welke niet ingehaald moeten worden. In overleg met de coördinator onderbouw wordt een schema opgesteld voor het inhalen van het werk.

Normering
Een docent geeft bij het opgeven van een werk aan:
of het werk voor een cijfer wordt gemaakt,
of het werk één, twee of drie keer meetelt voor het rapportcijfer.

Bij het maken van grotere werken is het vereist dat de puntentoekenning per vraag op de toets is vermeld.

Correctie van gemaakt werk
Een docent streeft er naar om:

  • SO’s de volgende les,
  • USO’s en toetsen binnen 6 lesdagen,
  • grotere projecten e.d. binnen 15 lesdagen terug te geven.

De docent bespreekt gecorrigeerd werk klassikaal of geeft de leerling de gelegenheid het werk met hem te bespreken.

 

Toetsweken
Er zijn 4 toetsweken ingeroosterd. In deze weken vervallen de reguliere lessen. De leerlingen krijgen in deze weken toetsen met weging 3, in de tussenliggende weken worden alleen werken met weging 1 of 2 gemaakt. De week voor de toetsweek worden geen SO’s of USO’s gegeven.

Herkansingen onderbouw
Als bij een toets in de onderbouw veel onvoldoendes vallen, geldt de volgende regeling: de docent beslist of er een herkansing is. Indien de docent besluit geen herkansing aan te bieden en de klas is van mening dat een herkansing terecht zou zijn, gaat de klassenvertegenwoordiger na de les naar de coördinator onderbouw en legt het probleem uit.
De docent bepaalt het tijdstip van herkansing: bij voorkeur niet in de gewone les. Leerlingen met een onvoldoende zijn verplicht te herkansen, leerlingen met een voldoende mogen herkansen.
Het herkansingscijfer telt.

Planning van werk
Docenten spannen zich in om USO’s en praktische opdrachten voor de verschillende vakken in één klas te spreiden in tijd. De week voor de toetsweek is toetsvrij.
Per dag kunnen hoogstens twee USO’s gemaakt worden. Tussen twee USO’s dient zich in ieder geval een pauze te bevinden. Proefvertalingen die weinig leerwerk vergen, kunnen altijd opgegeven worden, mits zich tussen de proefvertaling en de USO een pauze bevindt. Het inleveren van werkstukken geldt niet als toets.
Deze regeling geldt niet voor inhaalwerk.

Rapporten en cijferuitdraai
Alle leerlingen ontvangen na elke toetsweek een cijferuitdraai. Op de cijferuitdraai wordt ook het gemiddelde vermeld van de tot dat moment behaalde resultaten per vak.
Aan het eind van het schooljaar wordt een rapport uitgereikt.
Het rapportcijfer ontstaat door het jaarcijfer af te ronden op een geheel cijfer.
7,4666 wordt rapportcijfer 7.

Rapportvergaderingen
klas 1 t/m 3 Een leerling is bevorderd naar het volgende leerjaar als hij

  • gemiddeld tenminste 6,0 staat voor al zijn vakken
  • niet meer dan één vijf en één vier
  • òf
  • drie vijven heeft,
  • de drie vijven niet in één van de volgende vakkenclusters vallen:
    • Duits, Engels, Frans, Grieks, Latijn, Nederlands
    • biologie, natuurkunde, natuurwetenschappen, scheikunde, wiskunde
    • aardrijkskunde, economie, geschiedenis,
    • LO, muziek, beeldende vorming, CKV, techniek.

    Een leerling die op grond van deze normen niet bevorderd kan worden, wordt uitgebreid besproken in de docentenvergadering.

    Er wordt een met redenen omkleed advies uitgebracht: doubleren op onze school of ander onderwijs (Atheneum of HAVO). De docentenvergadering kan besluiten af te wijken van deze normen.